Spelletjes in het water
Pas op, haai!
- Ca. 2 kinderen zijn haaien (tikkers) en zwemmen/lopen in het bad.
- Eventueel 3–4 drijfborden aan het wateroppervlak waar kinderen veilig zijn (max. 5 seconden vasthouden).
- Wie wordt getikt, wordt een nieuwe haai.
Kettingtikkertje
- Eén kind begint als tikker.
- Getikte kinderen pakken elkaars hand en vormen een ketting.
- Alleen de buitenste kinderen van de ketting mogen tikken.
- Vanaf 4 personen mag de ketting zich splitsen (afhankelijk van de spelafspraak).
Ballonnenrace
- Kinderen vervoeren een ballon alleen met neus, voorhoofd of voet over een afstand.
- Eventueel als estafette: de volgende start zodra de ballon is overgegeven.
Vuur, water, bliksem
Leerlingen zijn in het water en voeren bij commando’s verschillende acties uit:
- Vuur = spetteren
- Water = zwemmen
- Bliksem = water verlaten
- Zon = op de rug drijven
- Storm = lopen
Visser, hoe diep is het water?
- Eén visser (tikker) staat aan de kant, de rest aan de overkant.
- Groep roept: “Visser, visser, hoe diep is het water?”
- Visser noemt een verzonnen diepte.
- Groep roept: “Hoe komen we erover?”
- Visser noemt een manier van bewegen (lopen, zwemmen, zijwaarts, enz.).
- Tijdens oversteken kan visser tikken → getikten worden vissers.
- Laatste overgeblevene wordt visser.
Duikestafette
- Kinderen duiken achtereenvolgens door de benen van hun teamgenoten.
- Laatste kind sluit weer vooraan aan – doel: volledige rotatie.
Hen en havik
- 5–7 kinderen vormen een groep.
- Er is een havik, een hen en kuikens.
- Kuikens staan achter de hen en houden elkaar vast.
- Havik probeert het achterste kuiken te tikken; hen blokkeert.
- Als kuiken wordt getikt → rollen wisselen.
Waterbrug
- Kinderen staan tegenover elkaar en houden poolnoedels vast.
- Eén kind ligt erop en wordt door het bewegen van de noedels naar de overkant gebracht.
Partijbal
- Twee teams spelen tegen elkaar.
- Doel: bal zo lang mogelijk in eigen bezit houden.
- Eventueel passen tellen of tijd meten.
- Bal max. 5 seconden vasthouden.
Bekerestafette
- 3–5 teams (afhankelijk van grootte/ruimte).
- Elk team heeft een zwemplankje en een plastic beker.
- Beker wordt met water gevuld en op plankje gezet.
- Leerlingen brengen het “dienblad” naar de overkant (lopend of zwemmend).
Zijwissel
- Twee teams zitten tegenover elkaar op de badrand.
- Op fluitsignaal wisselen ze van kant.
- Manier van wisselen door leerkracht bepaald (lopen, huppen, eenbeen, zwemmen, met twee handen vast, enz.).
- Doel: welk team zit als eerste aan de overkant?
Estafettes
- Meerdere teams racen tegen elkaar (lopend, achteruit, huppelend, zwemmend, zijwaarts, enz.).
Draaikolk
- Kinderen houden elkaar in een kring vast (leerkracht doet mee).
- Samen in één richting draaien.
- Op signaal Richting wisselen tegen de stroom in bewegen.
Bevroren
- 2–4 tikkers met een pullbuoy of poolnoedel.
- Tikker raakt anderen aan → “bevroren” (X-positie: benen wijd, armen omhoog).
- Bevrijden door onder benen door te duiken of eromheen te lopen.
- Tijdens bevrijding mag niet getikt worden.
- Doel: kunnen tikkers iedereen bevriezen?
Wasstraat
- Kinderen staan in een rij (gasse).
- Andere kinderen zijn de auto’s en lopen erdoorheen.
- Auto zegt wat voor type hij is en hoe hij gewassen wil worden (bijv. “Ik ben een Ferrari, snel wassen” of “Ik ben een terreinwagen, heel wild wassen”).