Les 2 – Opstellingsvormen (100’)

Lesdoel:

De leerlingen proberen verschillende opstellingsvormen uit en beginnen op basis daarvan met het ontwikkelen van een groepschoreografie.

Benodigd materiaal:

*Als er niet genoeg hoelahoeps beschikbaar zijn, kunnen springtouwen in cirkels worden gelegd en/of oude fietswielen worden gebruikt.

Muziek

Stoelendans met hoepels:

  • Er ligt één hoepel minder dan er actieve leerlingen zijn.
  • De docent houdt een extra hoepel in de hand.
  • Leerlingen lopen met hun springkaart door de zaal op muziek.
  • Op fluitsignaal zoekt iedereen zo snel mogelijk een hoepel.
  • Degene zonder hoepel krijgt de hoepel van de docent en oefent de basissprong.
  • Alternatief: andere opdracht voor die leerling geven.
  • Daarna weer muziek en nieuw fluitsignaal → de docent pakt een andere hoepel.
  • 4–5 rondes.

Transparantie van het verloop
Uitleg van de uitwerkingsfase via de checkpoint:

  1. Individueel: herhaling basissprong
  2. Partnerwerk: basissprong met z’n tweeën (leerritmeduo)
  3. Groepswerk: basissprong met vieren (leerritmeduo)
  • Individueel: herhaling basissprong
  • Partnerwerk: basissprong met z’n tweeën
  • Groepswerk: basissprong met vieren
  • Alternatief: afsluiten met de hele klas samen de basissprong doen.

Bespreek:

  • Hoe hebben jullie afspraken gemaakt binnen de groep om synchroon te springen?
    (bijv. tellen, “Hepp” roepen, …)
  • Welke opstellingsvormen hebben jullie gekozen?
    Voorbeelden: naast elkaar, als piramide, in een vierkant, face to face…

Afhankelijk van de klas. Mogelijkheden:

  1. Leerlingen vormen zelf 3–5-tallen.
  2. Docent deelt groepen in.
  3. Willekeurige of “quasi-willekeurige” groepen.
  4. 4-tallen vanuit het leerritmeduo nemen.

Opstellingsvormen oefenen:

  • Leerlingen krijgen het werkblad met opstellingsvormen.
  • Basissprong uitproberen in deze vormen.
  • Favoriet kiezen (of eigen vorm bedenken).

 

Twee werkwijzen:

  1. Groepen starten zodra ze hun vorm gekozen hebben → individueel tempo.
  2. Alle groepen oefenen 5–10 minuten → daarna gezamenlijk overgang naar de uitwerkingsfase.

 

Belangrijk: tijdens de choreografie mogen vormen wisselen.

  • Docent legt groepskaart en choreografiecriteria uit (aangepast aan leeftijd).
    Mogelijke criteria: moeilijkheidsgraad, expressie, bewegingskwaliteit (spanning), muziekinterpretatie.
  • Groepen werken verder aan hun choreografie.
  • Bij problemen → checkpoint gebruiken of voorbeelden van sprongen geven.

Mogelijke punten:

  • Samenwerking en storingen
  • Bespreken van eigen ideeën
  • Optioneel: eerste groepen presenteren vrijwillig hun tussenstand.
  • Groepskaarten verzamelen en volgende les weer uitdelen.

Mijn account